toespraak Ruud Weijdeveld

auteur van de tweedelige publicatie Het communistische verzet in Groningen – 1940-1945, gehouden voorafgaand aan de uitreiking van het eerste exemplaar op woensdag 5 maart 2014 in de Der Aa-kerk in Groningen. Om redenen van leesbaarheid zijn paragraaftitels aangebracht.

Beste aanwezigen, geachte dames en heren,

het is mij een eer en een heel groot genoegen om u te kunnen zeggen, dat het boek over de illegale CPN, in de stad en de provincie Groningen, klaar is, gedrukt is en vanmiddag kan worden gepresenteerd.

Het onderzoek daarvoor is begonnen in de jaren tachtig van de vorige eeuw, met het interviewen van deelnemers aan het communistische verzet. De laatste jaren zijn hier nog interviews met talrijke nabestaanden aan toegevoegd. Ook werd uitgebreid literatuuronderzoek gedaan. En alle relevante archieven in Nederland en in Duitsland werden geraadpleegd.

We kunnen er daarom vrijwel zeker van zijn, dat welke informatie er ook te vinden is, over de Groningse communistische verzetsmensen, het in dit onderzoek aan het licht is gebracht en in het boek is verwerkt.

geen anti-Duits boek

Laat ik voorop stellen: ons boek is geen anti-Duits boek. Integendeel. Onze gedachten gaan óók uit naar de tegenstanders van het nazi-regime in Duitsland zelf. Al in 1933 waren zij de eerste slachtoffers en kwamen reeds toen met vele tien- en tienduizenden terecht in de concentratiekampen.

Een aantal van die kampen lag in het Duitse Eemsland, vlak over de grens met Groningen. Vanuit die kampen ontsnapten van tijd tot tijd gevangenen naar Nederland, die hier werden geholpen. Daarnaast kwamen er Duitsers naar Nederland, die hun land ontvluchtten, omdat zij actief aan het verzet tegen Hitler hadden deelgenomen.

Zodoende ontstond in Oost-Groningen een wijd-vertakt netwerk om deze vluchtelingen op veilige wijze over de grens te brengen en in Groningen onderdak te geven.

Maar in Nederland waren deze vluchtelingen evenmin veilig. Als de Nederlandse overheid hen te pakken kreeg, dan liepen zij de kans weer aan Duitsland te worden uitgeleverd. Daarom moesten zij illegáál worden gehuisvest en verzorgd. Sommige van deze vluchtelingen kwamen al vroeg naar Groningen en verbleven hier, illegaal, gedurende de hele periode van 1933 tot aan de bevrijding van 1945.

van steun aan het verzet in Hitler-Duitsland naar verzet tegen de Duitse bezetter

De acties om deze vluchtelingen veilig onder dak te brengen en te verzorgen, betekenden de eerste aanraking van de Groningse communisten met de gevolgen van het fascisme in Duitsland. Daarnaast steunden zij het verzet ín (!) Duitsland. Duitse emigranten in Nederland drukten hier pamfletten, die onder meer via de havenarbeider Bonno Smit en de machinist Hendrik Zandstra, met gevaar voor eigen leven, vanuit Delfzijl naar Emden werden gesmokkeld, om daar te worden verspreid.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de communisten bij de eersten waren, die direct na de Duitse bezetting van Nederland, in de illegaliteit gingen. En evenmin is het verwonderlijk dat zij als eersten werden getroffen door de Duitse maatregelen. Op 20 juli 1940, slechts twee maanden na de Duitse inval, werd hun partij verboden en werden bij vooraanstaande communisten huiszoekingen verricht. Een week later werd het aan de communistische leden van de gemeenteraden en de Provinciale Staten, verboden, om nog langer aan de vergaderingen daarvan deel te nemen.

In het najaar van 1940 kwam als reactie daarop reeds hun eerste illegale krant uit: het Noorderlicht. Het Noorderlicht werd op regelmatige basis verspreid in de stad en in delen van de provincie. Met behulp van deze krant verzetten de communisten zich tegen de gedwongen uitzending van werklozen naar Duitsland en kwamen zij – geheel volgens communistische traditie – op voor hoger loon en voor hogere uitkeringen voor werklozen. Maar ook protesteerden zij van meet af aan op felle wijze tegen de opkomende Jodenvervolging in Nederland, die in Groningen onder meer tot uitdrukking kwam in het ingooien van ruiten van de synagoge en van Joodse winkels.

arrestaties na de Februaristaking

Aansluitend op de Februaristaking in Amsterdam, in februari 1941, werden manifesten verspreid om hieraan bekendheid te geven en om op te roepen tot actiebereidheid tegen nieuwe Duitse maatregelen. De verspreiding van dit manifest leidde tot de arrestatie van tientallen communisten. De SD in Groningen liep daarmee vooruit op de andere provincies van Nederland, waar met uitzondering van Amsterdam, dergelijke massale arrestaties onder communisten toen nog achterwege bleven. Mogelijk wilde de SD met haar aanpak de Groningse CPN – met haar traditioneel sterke aanhang in het Oosten van de provincie – als voorbeeld stellen voor de rest van het land. Ook vonden in dat kader talrijke arrestaties plaats in Friesland en Drenthe, die in deze periode met Groningen één district vormden. Daarbij zij vermeld, dat de leidende functionaris van de SD, bij deze arrestaties, voor de oorlog al betrokken was geweest bij het oprollen van de communistische partij in het Duitse Emden.

Een groot deel van de arrestanten ging naar Scheveningen om daar hun proces af te wachten, in totaal meer dan 50 personen. Maar na de Duitse aanval op de Sovjet-Unie, in de zomer van 1941, werd hun status veranderd in Schutzhaft-Gefangene. Zij konden daardoor zonder verdere vorm van proces voor onbepaalde tijd worden vastgehouden. In het najaar van 1941 volgden opnieuw tientallen arrestaties, waarop in het voorjaar van 1942 tegen de honderd communisten op transport werden gezet naar Duitsland. Daar kwamen de meesten van hen binnen korte tijd op gruwelijke wijze om het leven, in beruchte kampen als Buchenwald, Neuengamme en Gross-Rosen. Van de in 1942 omgekomen verzetsmensen uit Groningen – het eerste jaar waarin verzetsmensen om het leven kwamen – had ruim driekwart een communistische achtergrond. Van hen was de metaalbewerker Klaas Bos uit Appingedam op 28 februari 1942 de eerste.

herstel en voortgaand verzet

In de loop van de jaren daarna wist de CPN zich te herstellen. Gedurende de gehele oorlog werden de gezinnen van gearresteerde communisten ondersteund, werden onderduikers geholpen en ging het verspreiden van pamfletten en kranten door. Dit ondanks het feit dat bij herhaling nieuwe slachtoffers vielen. Later werd ook deelgenomen aan gewapende overvallen. Bij de bevrijding hoorde de krant De Waarheid tot de grootste verzetskranten van Groningen, die wekelijks uitkwam in een oplage van 3.000 exemplaren. Een eigen drukkerij was inmiddels ingericht aan De Laan – in de werkplaats van een bevriende sociaal-democratische meubelmaker.

uitblijvende erkenning en langdurige uitsluiting van uitkeringen

Deze vroege deelname van de communisten aan het verzet staat in schril contrast met de wijze waarop zij ná de oorlog werden behandeld. De sympathie voor de communistische ideeën was door hun rol in het verzet sterk toegenomen. Ook was er een luide roep om vernieuwing van het politieke bestel. In de praktijk werd echter de oude politieke partijen en vakbonden weer nieuw leven in geblazen. En door hen werd vervolgens de vooroorlogse strijd tegen het ‘communistische gevaar’ met volle kracht hervat. Bij die strijd tegen het communisme werd het verzetsverleden van de communisten niet ontzien. En al spoedig werd dit zelfs ontkend.

Graag wil ik daarvan een voorbeeld noemen. Frederik Houtman was in 1945 uit Duitsland teruggekeerd na een periode van meer dan vier jaar gevangenschap. Houtman verbleef hier in het Huis van Bewaring, in het Oranjehotel in Scheveningen en in kamp Amersfoort. Daarna volgden meer dan drie jaar in het Duitse kamp Buchenwald. Hij doorstond alle verschrikkingen en kwam na de bevrijding terug naar Nederland. Twee van zijn kinderen waren inmiddels overleden. Een uitkering kreeg hij niet en om in zijn onderhoud te kunnen voorzien moest hij daarom in de werkverschaffing. Geld voor werkkleding had hij echter ook niet en hij schreef in een brief aan de Stichting ’40-’45:

‘Werkkleeren heb ik niet. Zou hiervoor een mogelijkheid bestaan? Werkjas, broek, schoenen of laarzen, want ik werk in de werkverschaffing, ik doe grondwerk, waaronder veel waterwerk.’

Dat betreft dan iemand die meer dan drie jaar in Buchenwald had gezeten! Met alle lichamelijke en geestelijke gevolgen vandien! Het antwoord van de Stichting ’40-’45 is niet bekend. Maar veel kans op een positief antwoord had Houtman niet. De Stichting was al tijdens de oorlog – mede door communisten –  opgericht. Juist om uit het kamp teruggekeerde gevangenen, dan wel hun nabestaanden zo snel mogelijk financieel te ondersteunen. Maar in Groningen werden de meeste communisten van een uitkering simpelweg uitgesloten. Met name hun vroege verzet tegen de Duitsers werd niet erkend.

De Stichting ’40-’45 werd daarbij ondersteund door leden van andere verzetsgroeperingen. Zo verklaarden oud-illegale werkers uit Oude Pekela, dat de uit deze plaats afkomstige omgekomen communisten, zoals Kornelus Baas en Geert Bruintjes, geen verzetsmensen waren geweest. Letterlijk schreven zij:

‘Van illegaal werk in die tijd kon in deze gemeente nog niet worden gesproken.’

De verklaring was niet door de eersten de besten uitgegeven. Vooraanstaande burgers uit Oude Pekela hadden ondertekend, waaronder de locoburgemeester en de voorganger van de Nederlands-Hervormde kerk.

Deze weigering van de Groningse Stichting ’40-’45 om communisten, met name die van de Noorderlichtgroep, een uitkering te verstrekken, werd jarenlang volgehouden. Pas in 1950, vijf jaar na de oorlog, greep het landelijk hoofdbestuur tenslotte in. Dit hoofdbestuur had al eerder afstand genomen van het Groningse beleid en nam vanaf dat moment de afwikkeling van de aanvragen over. Toch zou het nog tot het midden van de jaren ’50 duren voordat de communistische verzetsmensen van de Noorderlichtgroep ook daadwerkelijk een uitkering werd verstrekt.

Zo waren de communisten  bij de eersten die in het verzet gingen en behoorden zij tot de laatsten die een uitkering kregen…

sindsdien zijn de tijden veranderd

Gelukkig zijn sindsdien de tijden veranderd. Dat  blijkt alleen al uit de ruime belangstelling die de voorbereiding van ons boek in de regionale pers heeft gekregen. En zeker ook uit de grote medewerking, die wij hebben ervaren vanuit de verschillende archieven in binnen- en buitenland. Wij zijn de medewerkers van deze archieven daarvoor zeer erkentelijk, net zozeer als voor het feit, dat Bettie Jongejan van het Groningse Oorlogs- en Verzetscentrum na mij het woord zal voeren.

vaders, moeders, broers, zusters en kinderen

Daarnaast hebben vele anderen ons geholpen bij het voorbereiden van het boek – om te beginnen de nabestaanden. Zij hielpen ons met foto’s, met brieven uit de kampen, met documenten en met hun herinneringen. Het zijn deze foto’s, documenten en herinneringen, die in aanvulling op de interviews met de verzetsstrijders zelf, het boek een speciale inkleuring hebben gegeven. Een inkleuring, die het de lezer doet beseffen, dat het bij het verzet niet alleen gaat om de leden van een verzetsgroepering, maar ook om hun vaders, moeders, broers, zusters en kinderen. En die duidelijk maakt dat het niet alleen gaat om de geschiedenis van het verzet zelf, maar ook om het gebleven verdriet van de nabestaanden over hun omgekomen familieleden. Een verdriet dat in het geval van de CPN nog werd vergroot door de na-oorlogse ontkenning van hun verzetsactiviteiten.

Het is hier de plaats om al deze mensen, die op enigerlei wijze aan het onderzoek hebben bijgedragen, hartelijk te bedanken. Niet alleen de mensen die informatie, foto’s en documenten ter beschikking hebben gesteld en de vele andere vrijwilligers, maar ook de mensen en instanties die de financiering van het onderzoek, alsmede van het boek zelf, en zelfs van deze presentatie, mogelijk hebben gemaakt.

waakzaamheid tegen herlevend fascisme en vreemdelingenhaat

Het is mijn hoop dat ons boek veel zal worden gelezen. Want wij kunnen de geschiedenis niet veranderen. Maar de toekomst – die kunnen wij wel veranderen. Helaas is het gevaar van het fascisme en van daarmee gepaard gaande verschijnselen, zoals vreemdelingenhaat en anti-semitisme, nog altijd niet geweken. In meerdere Europese landen zitten neo-fascistische of daaraan verwante partijen gewoon in het parlement. En nog niet zo lang geleden hadden wij in Nederland zelf een regering, die alleen kon bestaan dankzij de steun van een partij, die vreemdelingenhaat hoog in haar vaandel heeft staan.

De Groningers kunnen trots zijn op het communistische deel van de bevolking, dat zo moedig vooraan ging in de strijd tegen de Duitse bezetters – en voor de bevrijding van ons land. En dat daar de gehele oorlog mee doorging – ondanks de talrijke tegenslagen en ondanks het droevige lot van tientallen medewerkers. En dat ook na de oorlog de strijd niet opgaf tegen herleving van het fascisme in Duitsland of tegen fascistische dictaturen, zoals in Spanje en in Griekenland.

Wij hebben met veel motivatie aan het boek gewerkt – met mooie momenten, met hele moeilijke momenten, en zeker met heel veel ontroerende momenten. Dat kan ook niet anders bij een dergelijk aangrijpend onderwerp, dat zo diep in het leven van zo veel mensen heeft ingegrepen. Maar bovenal hebben we ons steeds geïnspireerd geweten door de vasthoudendheid, de opofferingsgezindheid en de overtuigingskracht waarmee de communisten streden voor hun doel. We hebben er naar gestreefd om deze geschiedenis zo correct mogelijk te beschrijven. We zijn er trots op dat het werk nu is afgerond en dat het boek kan worden gepresenteerd, waarin het communistische verzet in Groningen, na zoveel jaren, eindelijk is vastgelegd. En waarmee het eindelijk de plek krijgt in de geschiedenis, waarop het recht heeft.

Nogmaals, ik hoop dat het boek door zoveel mogelijk mensen zal worden gelezen. Niet alleen als eerbetoon of om er gewoon meer van te weten. Maar ook opdat het boek voor de huidige én de toekomstige generaties een waarschuwing zal zijn. Want ons land werd in 1945 bevrijd. Maar de achterliggende normen en waarden van het illegale verzet, voor een samenleving zonder discriminatie en onderdrukking van welke aard dan ook, hebben hun actuele betekenis nog steeds niet verloren. Graag wil ik daarom afsluiten met de leuze, die dit zo kort en krachtig weergeeft:

Fascisme – dat – nooit – weer!

Ik dank u wel.

v01.03 © Geert Sterringa Stichting